//-->
Wie zijn wij CAO's Download Nieuws Beroepsverenigingen Word lid Brochures Contact Vraag en antwoord Home
 
Culemborg, 17 mei 2010
  Mohawk in de polder, als je haar maar goed zit

Herpositionering, hinderwerking (van het ontslagrecht) en hypotheekrenteaftrek, het H-woord is populair geworden en in de loop der tijd krijgt het steeds een andere betekenis. Bij haardracht valt daarbij bijvoorbeeld te denken aan de hanenkam. Die laatste was zeer populair in het werelddeel dat nu onder meer de VS herbergt voor, tijdens en na de tijd dat Columbus dacht India ontdekt te hebben.

Mede gelet op het feit dat Nederlanders bij het koloniseren van Noord-Amerika ook in aanraking kwamen met de Mohawk-indianen is de naar hen genoemde haardracht overgewaaid over de Atlantische oceaan. Immers, de Mohawk-indianen woonden voordat zij aan blanke overheersing ten onder gingen in het gebied dat nu de Amerikaanse staat New York is gaan heten.

In de rechtszaal van de Centrale Raad van Beroep in Utrecht stond een Rotterdamse hanenkam in het brandpunt van de belangstelling.

Een agent van de politie Rotterdam, die ingeroosterd stond voor de buitendienst, kreeg de opdracht binnen te blijven. Hij kreeg taken achter het bureau. Die opdracht kreeg hij omdat hij op het werk was verschenen met een welgemodelleerde hanenkam. De politie had er geen trek in de agent zo de straat op te sturen. Helaas ontbreekt bij de gepubliceerde uitspraak beeldmateriaal.
 
Toen de agent bezwaar maakte, kreeg hij nul op rekest. De drager van de hanenkam was inmiddels vertrokken bij de politie. Hij werkt nu als particulier beveiliger. De politie vond dat hij geen procesbelang meer had. De ex-agent liet het daarbij niet zitten en stelde beroep in bij de rechtbank. Ook de rechtbank vond dat, omdat de agent niet langer bij de politie Rotterdam werkte, een (principiële) uitspraak over de toelaatbaarheid van zijn haardracht niet meer van belang was.
 
Ook daarin berustte de ex-agent niet en hij stelde hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep. Hij erkende dat er door zijn vertrek bij de politie Rotterdam geen actueel geschil meer bestond over zijn haardracht. Hij was echter van mening wel degelijk belang te hebben bij een oordeel over de opdracht binnen te blijven vanwege zijn haardracht, omdat hij zich daardoor aangevallen voelde als persoon en in zijn lichamelijke integriteit.

De betrokkene voelde zich namelijk in het bijzonder gegriefd door de stelling van de politie Rotterdam dat zijn haardracht hem een autonome of rechts-extremistische uitstraling gaf. Hij vond dat de opdracht om binnen te blijven met een dergelijke onderbouwing inbreuk maakte op zijn grondrechten. Van een dergelijke associatie was hij niet gediend.

De Centrale Raad van Beroep kon het betoog van de ex-agent wel volgen. Het enkele feit dat hij niet meer werkte in de politieregio Rotterdam-Rijnmond stond er naar het oordeel van de Raad niet aan in de weg dat hij belang had bij een oordeel van de rechter over zijn bezwaarschrift. Immers, uitsluitend op die manier kon hij antwoord krijgen op de vraag of er inbreuk is gemaakt op zijn rechtspositie en zijn grondrechten. Dat acht de Raad voldoende om procesbelang aan te nemen.

De politie stelde dat de opdracht om binnendienst te doen niet meer was dan een normaal sturingsmiddel als uitvloeisel van gerechtvaardigd werkgeversgezag. Ook gaf de politie aan dat het verrichten van binnendienst tot de normale werkzaamheden van de ex-diender behoorde.
 
De Raad stelde vast dat betrokkene belast was met werkzaamheden in het proces wijkpolitie, directe hulpverlening. Per dienst werd binnen de ploeg het werk door de chef verdeeld, waarbij twee medewerkers de opdracht kregen om werkzaam te zijn in binnendienst. De ex-diender was op het moment suprême echter juist ingeroosterd voor de buitendienst. Door de omstreden opdracht werd dus een wijziging aangebracht in het rooster van de ploeg. De Raad is van oordeel dat die wijziging op één lijn kan worden gesteld met een gedeeltelijke ontheffing van de taken die betrokkene regulier verrichtte, te weten het doen van buitendienst. Daaraan doet niet af dat die wijziging toevallig betrekking had op slechts twee werkdagen. Had hij namelijk daarna geen vakantie gehad dan had hij nog langer in binnendienst moeten werken, aldus de Raad.

De Raad is het eens met de ex-diender dat de opdracht om vanwege zijn haardracht binnendienst te verrichten zijn persoonlijke levenssfeer en de onaantastbaarheid van zijn lichaam raakt als bedoeld in artikel 10 en artikel 11 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Daarbij neemt Raad mee dat de ex-agent - naar eigen zeggen - de keuze heeft gemaakt zich van anderen te onderscheiden door zijn uiterlijk en de gekozen haardracht voor hem van wezenlijk belang is.

De Raad verwijst daarbij naar een eerdere uitspraak uit 2005 over een agent uit Amsterdam die zich een wenkbrauwpiercing had laten aanmeten. In die zaak had de Raad besloten dat de politie het dragen ervan in diensttijd kon verbieden omdat deze namelijk eenvoudig was aan te brengen en te verwijderen. Bij de haardrachtkwestie in Rotterdam kon volgens de Raad niet worden gezegd dat de opdracht uitsluitend gevolgen heeft tijdens diensttijd. De opdracht impliceert dat, wil betrokkene zijn werk weer volledig kunnen verrichten, hij zijn kapsel aan de wensen van de korpsbeheerder zal moeten aanpassen, hetgeen uit de aard der zaak ook geldt buiten werktijd. Dat brengt een beperking mee van de grondrechten van de ex-diender, aldus de Raad. Dat roept ongetwijfeld bij de lezer opnieuw vragen op naar het beeld van de onderhavige hanenkam maar beantwoorden kan ik ze helaas niet.

Kortom, zegt de Raad, een piercing gaat makkelijk in en uit en een hanenkam is niet in een handomdraai gevormd en “ge-onthanenkamd”.

De politie Rotterdam verwees naar de door haar gehanteerde “aanbeveling uiterlijke verschijning tijdens diensttijd”. Die aanbeveling bevatte ook illustraties als voorbeelden van niet getolereerde kapsels. De Raad heeft de aanbeveling bestudeerd en naast de foto’s van de bewuste hanenkam gelegd. De Raad oordeelt dat het litigieuze kapsel van de Rotterdamse agent niet te vergelijken was met de verboden illustraties. De (resterende) haardos van betrokkene was immers van (zeer) beperkte lengte. De Raad onderschrijft dan ook niet het standpunt van de politie Rotterdam dat de uiterlijke verschijning in kwestie zodanig in strijd met de eisen van representativiteit en professionaliteit zou zijn dat een beperking terecht is. De hanenkam kon voor de Raad dus door de beugel. De opdracht om binnen te blijven was voor de Raad niet terecht en hoewel de agent niet meer werkte bij de politie werd hij in zekere zin in ere hersteld.

mr. Ewald van Sark

--------

Ewald van Sark is deskundige arbeidsrecht bij de sector Overheid, Zorg en Welzijn van De Unie. Daarnaast is hij beleidsadviseur bij de vakcentrale MHP. Reageren op deze column kan via de mail.